Naar de inhoud
Finance voor NuGeldzaken uitgelegd in gewoon Nederlands
Tips & advies

De Latijnse Muntunie: vijf landen, één muntstandaard

De Latijnse Muntunie was een verdrag tussen Frankrijk, België, Italië en Zwitserland, later aangevuld met Griekenland en nog enkele landen, dat van 1865 tot 1927 één gezamenlijke muntstandaard vastlegde.

Geschreven door de redactie van Finance voor Nu, rubriek Tips & advies. Bijgewerkt op .

Een zilveren 5-francstuk en een gouden 20-francstuk naast elkaar op een donkere houten tafel, met een loep en een precisieweegschaal ernaast, zacht daglicht van links dat de rand en de letters laat oplichten, close-up van bovenaf.
Een zilveren 5-francstuk en een gouden 20-francstuk naast elkaar op een donkere houten tafel, met een loep en een precisieweegschaal ernaast, zacht daglicht van links dat de rand en de letters laat oplichten, close-up van bovenaf.

De Latijnse Muntunie was een verdrag tussen Frankrijk, België, Italië en Zwitserland, later aangevuld met Griekenland en nog enkele landen, dat van 1865 tot 1927 één gezamenlijke muntstandaard vastlegde. De kern was een vaste verhouding tussen goud en zilver van 15,5 staat tot 1, plus afspraken over gewicht, gehalte en de waarde van elkaars munten. Voor een verzamelaar vandaag is die periode leesbaar in twee bekende stukken: het zilveren 5-francstuk van 25 gram en het gouden 20-francstuk van 6,45161 gram.

Wat was de Latijnse Muntunie en waarom werd zij in 1865 opgericht?

De conventie van Parijs werd op 23 december 1865 ondertekend. De directe aanleiding was praktisch: handel tussen buurlanden liep vast op munten die wel op elkaar leken, maar net andere gewichten en gehaltes hadden. Elke staat sloeg zijn eigen stukken, en reizigers en handelaars moesten steeds omrekenen of wisselen.

De oplossing was een gemeenschappelijke standaard. De deelnemende landen spraken af dat hun munten dezelfde afmetingen, gewichten en gehaltes zouden krijgen, zodat een Franse frank, een Belgische frank, een Italiaanse lira, een Zwitserse frank en later een Griekse drachme in theorie overal evenveel waard waren. De verhouding tussen goud en zilver werd vastgelegd op 15,5, wat betekende dat 15,5 gram zilver evenveel waard was als 1 gram goud.

De Unie was geen centrale bank en geen gemeenschappelijke munt zoals de euro. Het was een verdrag tussen staten dat hun munten onderling uitwisselbaar maakte. Wie de technische kant wil nalezen, van de conventie van 1865 tot de muntfiches en de cotation, vindt die beschrijving in de Franse muntrevue over munten van de Latijnse Muntunie.

De Unie groeide in de jaren daarna. Griekenland sloot zich in 1868 aan, en ook Spanje, Roemenië, Servië en Bulgarije namen delen van de standaard over zonder altijd volledig lid te zijn. Daarmee werd het systeem in grote delen van Europa het kader waarbinnen munten werden geslagen.

Hoe lees je een munt uit die periode: gewicht, gehalte, atelierletter en muntmeesterteken?

Een munt uit de Latijnse Muntunie lees je in vaste stappen. Gewicht en gehalte zijn het uitgangspunt, de kleine tekens vertellen waar en door wie het stuk is gemaakt.

Het gewicht staat in de muntwet en is meetbaar op een precisieweegschaal. Het zilveren 5-francstuk weegt 25 gram bij een gehalte van 900 duizendsten, dus 90 procent zilver. Het gouden 20-francstuk weegt 6,45161 gram. Dat getal is geen afronding: het volgt uit de vaste verhouding tussen goud en zilver en uit de waarde die het stuk moest vertegenwoordigen.

Het gehalte staat meestal in de rand of in de omschrijving van de munt. Een gehalte van 900 duizendsten betekent dat het bruto gewicht deels uit andere metalen bestaat. Bij het 5-francstuk is dat 2,5 gram koper of een vergelijkbare legering, bij het 20-francstuk ongeveer 0,645 gram. Voor de verzamelaar is dat verschil belangrijk, want slijtage raakt het zachtere deel eerder dan het edelmetaal.

De atelierletter is een klein teken dat aangeeft in welke stad de munt is geslagen. Frankrijk gebruikte onder meer de letters A voor Parijs, B voor Rouen, K voor Bordeaux en later andere letters. België, Italië en Zwitserland hadden hun eigen tekens. Twee munten met hetzelfde jaartal kunnen dus uit verschillende steden komen, en dat verschil bepaalt mede de zeldzaamheid.

Het muntmeesterteken is een persoonlijk symbool van de verantwoordelijke ambtenaar. Het staat vaak naast de atelierletter en wisselt per periode en per persoon. Voor een beginnende verzamelaar is het een hulpmiddel om een stuk te dateren en om te controleren of een munt compleet en onbewerkt is.

De rand en de randschrift horen bij dezelfde lezing. Veel stukken uit deze periode hebben een gekartelde rand of een tekst in de rand, die als extra controle tegen vervalsing diende. Een afgesleten of bijgewerkte rand is een signaal om extra goed te kijken.

Wat betekent het einde van de Unie in 1927 voor een verzamelaar vandaag?

De Latijnse Muntunie viel geleidelijk uiteen. De Eerste Wereldoorlog bracht grote verschillen in koopkracht en in geldontwaarding tussen de lidstaten, waardoor de vaste verhouding tussen goud en zilver niet meer houdbaar was. De deelnemers schortten de uitwisselbaarheid op, en op 1 januari 1927 werd de Unie officieel ontbonden.

Voor een verzamelaar betekent dat einde vooral een afbakening. Munten van voor die datum horen bij een periode waarin gewicht en gehalte nog door een gemeenschappelijk verdrag werden bepaald. Munten van daarna volgen nationale keuzes en andere standaarden. Wie een verzameling opbouwt rond de Unie, kan dus met een einddatum werken en toch munten uit vijf of meer landen bij elkaar brengen.

Het einde verklaart ook waarom de stukken uit deze periode in verschillende hoeveelheden bewaard zijn gebleven. Sommige jaartallen en ateliers zijn talrijk geslagen, andere zijn zeldzaam. De cotation, de manier waarop verzamelaars prijzen vergelijken, houdt rekening met oplage, bewaarde staat en de vraag naar een specifiek type.

Hoe beoordeel je de staat van zo'n munt?

De staat van een munt wordt beschreven op een schaal die loopt van FDC, fleur de coin, tot duidelijk gebruikte stukken. FDC betekent dat het stuk vrijwel geen sporen van gebruik toont, met alle details van het stempel nog zichtbaar. Daarna volgen gradaties waarin slijtage aan haar, kroon en letters toenemen.

Voor een beginnende verzamelaar is de praktische vraag: wat is nog zichtbaar? Kijk naar de fijnste lijnen in het haar of de lauwerkrans, naar de scherpte van de letters en naar de rand. Een munt met scherpe details maar een doffe glans is iets anders dan een munt met krassen of een poetsbeurt. Poetsen haalt een dun laagje metaal weg en verlaagt de verzamelwaarde, ook als het stuk er glanzend uitziet.

Bewaar munten daarom in een munthouder of capsule, uit direct licht en uit vochtige ruimtes. Grijp ze vast aan de rand, niet op het veld. Zo blijft het oppervlak intact en houd je de staat zoals die bij aankoop was.

Wie een verzameling opbouwt rond de Unie, kan dus met een einddatum werken en toch munten uit vijf of meer landen bij elkaar brengen.

Hoe begin je een verzameling rond deze periode?

Begin met één type en één land. Het 5-francstuk van 25 gram en het 20-francstuk van 6,45161 gram zijn bekende ankerpunten, waarvan gewicht en gehalte vastliggen. Van daaruit kun je jaartallen en atelierletters verzamelen, of juist de varianten bij elkaar zoeken.

Stel vooraf een budget per seizoen of per jaar vast, zoals bij elke verzameling. Prijzen verschillen sterk per staat en per zeldzaamheid, en veilingen kunnen boven verwachting uitkomen. Een catalogus of een gespecialiseerde veilinglijst geeft een indicatie, maar de uiteindelijke prijs ontstaat op het moment van verkoop.

Verifieer gewicht en diameter met een weegschaal en een schuifmaat. Die twee metingen kosten weinig tijd en filteren veel twijfelgevallen eruit. Noteer bij elke aankoop de herkomst, het jaartal, de atelierletter en de staat. Zo groeit een verzameling die niet alleen mooi is, maar ook leesbaar blijft als document van een muntstandaard die bijna een eeuw standhield.

Verder lezen